De 13de eeuw

De stichting van de Stad Eeklo. Het bestuur van Eeklo.

Eeklo behoorde tot de Kasselarij van Brugge, het Vrije van Brugge genaamd, maar lag bij de grens van de Kasselarij van Gent. De Eeklonaars spraken in die tijd met een Brugs accent. 
Een Kasselarij was een bestuurlijk gedeelte van het Graafschap Vlaanderen, begrensd ten oosten door de linkeroever van de Schelde van 'Antwerpsenlinkeroever' tot Breskens ten Noorden door de Noordzee van Breskens tot Gravelingen, ten westen van Gravelingen tot Dowaai (Douai) en ten zuiden door een lijn van Dowaai tot ‘Antwerpsenlinkeroever’. 

Het Graafschap was door het leenrecht eigendom van de Koning van Frankrijk. 
Bij aanstelling van een nieuwe Graaf bij opvolging, moest de nieuwe leenman leenhulde brengen aan de Franse Koning. 
In 1240 verleende Johanna van Constantinopel, Gravin van Vlaanderen, een Keure waardoor Eeklo en de bijbehorende Prochie (parochie) van Lembeke het statuut van Stad kregen, officieel genoemd De Stede, Keure ende Vrijhed van Eclo en Prochie van Lembeke
De Keure gaf de Stad privilegiën van bestuurlijke rechterlijke en fiscale aard. 
De burgers, ongeveer 10 % van de bevolking, in andere steden poorters genoemd, werden in Eeklo Keurbroeders genoemd omdat de stad geen wallen en dus geen poorten bezat. Zij hadden privilegiën van allerlei aard. 

De grote meerderheid bestond uit Vrijlaten, inwoners van het Vrije van Brugge. Een keurbroeder van Eeklo kon Buitenpoorter worden van een andere stad, meestal van Brugge of Gent, na een verblijf van een jaar en een dag. 
De Buitenpoorter en de Poorter hadden dezelfde privilegiën. 
Een dubbelpoorterschap was frequent, wanneer een Keurbroeder Eeklo verliet en zich dus vervremde van de Stad om Buitenpoorter te worden, moest hij een belasting betalen aan Eeklo, een recht van Yssuwe, een bepaald % op het onroerend goed.

Het Brugse Vrije was een kasselrij in het graafschap Vlaanderen. Het omvatte de streek rond Brugge, begrensd door de Noordzee, de Westerschelde en de IJzer. In oorsprong was het de kasselrij van Brugge, maar later werden de stad en het Vrije als aparte gewoonterechtsgebieden beschouwd. Het Brugse Vrije was een rijk landbouwgebied. Het had een eigen burggraaf, die zetelde op de Burg in Brugge, en maakte vanaf het einde van de 14e eeuw deel uit van de Vier Leden van Vlaanderen, samen met de drie grote steden Gent (Gentse Oudburg), Brugge en Ieper. Het Brugse Vrije zetelde ook in de bijeenkomsten van de Staten van Vlaanderen.

Een keurbroeder verliet Eeklo hetzij wegens onlusten, hetzij om in de andere stad een Neringhe op te richten of om een vrij beroep zoals dat van jurist uit te oefenen.
Het bestuur van Eeklo was tweeledig. De stad had enerzijds zijn Wet of Magistraet, bestaande uit een Schepenbank van negen schepenen (schepencollege) met een Burchmeester van de Courpse (van corps, al de inwoners van de stad); de drie laatste schepenen waren altijd afkomstig uit Lembeke.
Het schepenambt was geldig voor een jaar. De jaarlijkse omwisseling van de Schepenbank werd Racorde genoemd. De nieuwe schepenen werden aangesteld door de Commissarissen van de Graaf. Bij deze plechtigheid werden duchtig Presentwynen aangeboden. Slechts bij de tweede Racorde kon een voormalig schepen worden herkozen.
De Magistraat had eigen bestuurlijke en rechtelijke bevoegdheden. Anderzijds was Eeklo een feodale Heerlijkheid, maar het ambt van Heer (Seigneur), de natuurlijke leenman van de Graaf, bleef vacant tot in de 17de eeuw.
Een plaatsvervangend Bailliu (Baljuw) werd toen rechtstreeks benoemd door de Graaf en bezat eveneens bevoegdheden van bestuurlijke en rechtelijke aard. Hij controleerde bovendien de Magistraat, door een verslag van de bestuurlijke en rechterlijke aangelegenheden mee te delen aan de Graaf. Hij kon een Onderbaljuw aanstellen in Lembeke of in Kaprijke, parochies behorende tot Eeklo. Bij plechtigheden droeg hij het Habijt.
Bij een proces kon de beklaagde in beroep gaan bij de Raad van Vlaanderen, in 1386 gesticht door Philips de Stoute en in 1407 overgebracht van naar het Gravensteen in Gent. 
Latere Lippens waren raadsheren bij deze Raad. Indien een Eeklonaar bij de Raad van Vlaanderen een proces in beroep won, moest hij een bijdrage betalen aan de stad.
Naast landbouw, brouwerijen en molens , was de rijkdom van Eeklo te danken aan de textielnijverheid eerst van wollen- en later van linnenlakens. Wol werd ingevoerd uit Engeland, waardoor de onderlinge betrekkingen tussen Frankrijk, het Graafschap Vlaanderen en Engeland van vitale aard waren.

Een andere politieke twistappel, meestal opgeëist door Gent, was het tolrecht op de vaarten (de Lieve en de Slependamme) die Eeklo verbond met de Zwinhavens. 
De vele oorlogen met vernieling van de landbouw en textielindustrie, de natuurlijke calamiteiten zoals overstromingen en epidemieën zoals de pestwaren recurrente rampen, oorzaak van hongersnood. Uitgehongerde landlopers werden gevreesde bandieten en wolven decimeerden het resterende vee.

In 1271 herbevestigt de nieuwe Graaf, Gwijde van Dampierre de Keure. Onder zijn bewind werd de eerst gekende Lippens geboren: Clais Lyppiin , °ca. 1250. 
Onder het bewind van Dampierre ontstonden sociale spanningen. De Koning van Frankrijk eiste als leenheer meer belastingen te laten betalen door de ambachten.
De poorters, Leliaerts genoemd, bleven daarvan gespaard. 
De Brugse gilden waren het hevigst gekant tegen de Fransen en de Leliaerts.